Overweging 29 maart 2020

Overweging voor de vijfde zondag in de Veertigdagentijd 2020

Lezingen: Ezechiël 37, 1-3 (4-10) 11-14; Romeinen 8, 8-11; Johannes 11, 1-44

 

Buiten schijnt de zon, het is bij ons in de Veenkoloniën volop lente, vannacht gaat de zomertijd in.  Maar echt genieten van de lente is er niet bij. Wij worden opgeroepen om zoveel mogelijk binnen te blijven en vooral niet naar bossen en andere natuurgebieden te gaan. Onzekerheid over hoe lang “dit” nog allemaal duren zal en wat de gevolgen op lange termijn voor onze samenleving zullen zijn, maar vooral bezorgdheid of ook wij  of de mensen die wij liefhebben door het virus getroffen zullen worden, zijn gedachten die bij ons allemaal wel regelmatig opduiken. En als wij er ons – in een oermenselijke reflex – vooraf willen sluiten, zijn er wel de televisie en de kranten die niet moe worden om ons de laatste update te geven. 

Vorige week woensdagavond luidde de klok van de St. Bonifatiuskerk naast ons huis. Het is bepaald niet het prachtige gelui van de kerk van Lekkum waar wij in Friesland ons diensten vieren, het is ook niet de levendig samenklank van de vier klokken van onze Rotterdamse Paradijsparochie waar het initiatief genomen is om in deze tijd iedere woensdagavond als teken van hoop overal in ons land de kerkklokken te luiden. Maar het geklingel was wel een teken van hoop in donkere en moeilijke tijden. En deze week zweeg het klokje. Ik mistte het wel, alsof de hoop zou zijn stilgevallen. En dit weekend zal die klok de mensen ook niet oproepen om naar de kerk te komen. Tot en met Pinksteren zijn er geen vieringen, bij onze buren niet en bij ons ook niet. 

En morgen is het uitgerekend de zondag dat de traditionele inleidingszang van de katholieke kerk aan psalm 43 is ontleend, de psalm die zingt van het opgaan tot het altaar Gods, tot God, die altijd weer mijn ziel met vreugd vervult. Ik mis het, dat opgaan naar het huis van God om daar met de zusters en broeders God te ontmoeten in woord en sacrament. Dat er een uitzending van een oud-katholieke viering met onze bisschoppen is vanuit de kerk van Amersfoort is mooi en bemoedigend, maar het vervangt toch niet de gezamenlijke ontmoeting rondom het altaar Gods. 

De evangelielezing van morgen is het verhaal van de opwekking van Lazarus. Net als in de andere twee lezingen gaat het over het eeuwige leven. Het zijn lezingen waarover veel te zeggen en te denken valt, juist in deze dagen waarin wij op een indringende wijze met de dood worden geconfronteerd. Het gesprek dat Jezus in het evangelie met Martha voert geeft weer hoe de christen, geconfronteerd met de vragen rondom ziekte en dood, zijn geloof niet mag verliezen. Jezus openbaart zich als de verrijzenis en het leven. “Wie in mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven, en al wie leeft en in mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven.” (Joh. 11, 24-25). In deze dialoog tussen Jezus en Martha, die hier met haar vragen en uitgesproken verwijten toch wel de representante is van ons allemaal, wil Jezus ons leiden tot het geloof in hem. In de lezingen van de vorige twee zondagen liet Jezus zich kennen als de bron van levend water en het licht voor de wereld en op deze zondag als het eeuwig leven. 

De dood blijft steeds een mysterie, een ondoorgrondelijk raadsel. Is het einde  van de weg een afgrond, een bodemloze ravijn of een niets? Deze zondag brengt ons de boodschap over de bestemming die God geeft aan de gelovige mens, die zijn leven laat leiden door de Geest van God, zoals Paulus dat in de tweede lezing belijdt. De mens die leeft vanuit de Geest van God zit op het goede spoor. Dat spoor eindigt niet in de dood. Hij leeft vanuit de Geest, die ook Jezus heeft doen opstaan uit de dood. Het meest onmogelijke wordt mogelijk. God zal ons een nieuw leven binnenvoeren. 

Die hoop heeft ook zijn betekenis voor ons in deze tijd van het coronavirus. Wij christenen worden hierdoor opgeroepen om onze verantwoordelijkheid te nemen, in het spoor van Jezus te gaan en te vertrouwen op de liefde en de trouw van God, vertrouwen in de eindbestemming, die leven is.                                                                                                            Dat betekent dus ook dat wij de mensen niet de dood mogen aandoen, maar hen steeds meer laten leven en opbloeien. Het is zich door Jezus laten bevrijden uit de doodsangst en de verlammende greep die al het gebeuren in onze wereld op ons kan hebben. Het is leven uit Gods Geest en uit zijn kracht. Concreet betekent dit nu dat wij ons – hoe moeilijk dat soms wel eens is – houden aan de strenge regel van de “social distance”, het afstand houden van elkaar dat ervoor willen zorgen dat mensen het leven behouden. Dat betekent ook dat wij inventief op zoek zullen moeten gaan om de mensen die in verzorgingshuizen wonen of die door hun leeftijd wordt aangeraden geen bezoek te ontvangen, niet in eenzaamheid te laten verkommeren (het “eenzaamheidsvirus” waarover koning Willem-Alexander het in zijn toespraak had).

Ik schreef hierboven over psalm 43. Als je die psalm uitleest, dan eindigt die hoopvol,

Wat ben je bedroefd, mijn ziel, 

en onrustig in mij.

Vestig je hoop God, 

eens zal ik hem weer loven, 

mijn God die mij ziet en redt.”

 

Die hoop en dat vertrouwen wens ik u allen toe,

Wietse van der Velde

 

Gebed voor deze zondag en de komende week

God van ons hart, 

Gij hebt U met ons verbonden 

eens en voor al 

op leven en dood; 

uw leven deelt Gij met ons 

en onze dood is uw grote zorg; 

blijf ons vasthouden 

als wij U dreigen los te laten,

 blijf ons aanvuren als wij de moed verliezen, 

dat wij ons staande kunnen houden 

als bondgenoten van U, 

zo betrouwbar als Gij.

Amen.

 

(uit: Wim van der Zee, Zondagswoorden).

 

Oud-Katholieke Statie voor Friesland en de Noordoostpolder
Welkom bij de vieringen op de eerste zaterdag van de maand
 in de Sinte Ceciliakerk te Lekkum, 
Tsjerkepaed 26, 9081 AT, 
aanvang 19.00 uur.

NL84INGB0007134313